Een lichtje in de nacht van de mensheid
Een kaars aansteken lijkt misschien triviaal. Een klein vuurtje in de stilte van een kerk, een trillende vlam in het halflicht van een oratorium, een nachtlampje voor een beeld van Maria of Jezus. En toch heeft dit gebaar een enorm spiritueel gewicht. Het is een van de meest universele en tijdloze gebaren van het christelijk geloof.
Vanaf de vroegste eeuwen hebben christenen licht gebruikt om Gods aanwezigheid aan te geven. De kaars, nederig en breekbaar, is het discrete symbool geworden van een geloof dat waakt, bidt en hoopt.
Een traditie geworteld in de Bijbel
De Bijbel staat vol met beelden van licht:
"Uw woord is een lamp voor mijn voeten, een licht op mijn pad." (Psalm 118:105)
"Het volk dat in duisternis wandelde, heeft een groot licht zien opgaan." (Jesaja 9:1)
"Ik ben het licht van de wereld, zegt Jezus. Wie mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen." (Johannes 8:12)
In het Oude Testament wordt licht al geassocieerd met de aanwezigheid van God in de Tempel, in de lichtende wolk in de woestijn, in de profetieën. In het Nieuwe Testament is Jezus zelf het licht dat in de wereld is gekomen. In het christelijk geloof herinneren kaarsen ons eraan dat God licht is, dat Hij het pad verlicht, het hart verwarmt en angst verdrijft.
Een gebaar van offeren en bidden
Een kaars aansteken is niet alleen symbolisch. Het is een concrete daad van geloof. De persoon die de kaars aansteekt, maakt een gebaar:
van offergave: "Ik geef u dit licht, Heer, als teken van mijn gebed."
van vertrouwen: "Ik vertrouw u deze intentie, deze naam, dit lijden toe."
van aanwezigheid: "Zelfs als ik wegga, blijft mijn gebed daar, levend in deze vlam."
van stilte: "Ik weet niet wat ik moet zeggen, dus steek ik deze kaars voor u aan."
Het is een belichaamd gebaar, vaak emotioneel, soms met tranen in mijn ogen, altijd bewoond door een intentie: een verzoek, dankzegging, vergeving, voorbede.
Een licht voor de levenden en voor de doden
Christenen steken kaarsen aan voor de levenden, tijdens smeekbeden, waken, vieringen. Maar ook voor de doden, op begraafplaatsen, op Allerheiligen en bij begrafenissen. Het licht wordt dan een teken van hoop, een stille boodschap: "Je wordt niet vergeten. Ik bid voor je. Het licht van Christus vergezelt je."
De vlam die voor een overledene wordt aangestoken, zegt ook: "Mijn geloof sterft niet met jouw dood. Integendeel, ik blijf van je houden in gebed."
Een vlam die iedereen aanspreekt
Je hoeft geen theoloog te zijn om een kaars aan te steken. Jong en oud, arm en rijk, sterke of zwakke gelovigen: iedereen begrijpt dit gebaar. Het is een universele taal, een brug tussen het zichtbare en onzichtbare, een zacht offer dat opstijgt naar God.
In heiligdommen vormen de duizenden brandende kaarsen een zee van gebed, een stille echo van Gods volk. Elk kaarsje heeft zijn eigen gewicht van liefde, pijn, dankbaarheid en voorbede.
Een lichtje dat ons verandert
Het is niet zomaar een gebaar naar God. Door een kaars aan te steken, verander ik mezelf. Ik stop, ik mediteer, ik verneder mezelf. Ik open mijn hart. Ik accepteer dat ik klein ben voor God, als deze fragiele vlam die beeft en toch verlicht.
De kaars wordt dan een vleesgeworden gebed, een daad van hoop, een eenvoudig maar diepgaand antwoord op het mysterie van God.
Een kaars aansteken is...
Om te zeggen "ik geloof".
Om te zeggen "ik wacht op je".
Om te zeggen "ik hou van je".
Om te zeggen "ik vertrouw je toe".
Om te zeggen "ik heb de woorden niet meer".